Absalom Dailola Jaflaum werd geboren op 27 april 1923 in Larat, op de Tanimbar-eilanden. Binnen de familie wordt hij beschouwd als de eerste generatie en grondlegger van de familie Jaflaum in Nederland. Zijn levensroute liep van Larat via Merauke in Nederlands-Nieuw-Guinea naar Arnhem, waar hij met zijn gezin een nieuw bestaan opbouwde.
Zijn leven raakte aan meerdere ingrijpende ontwikkelingen van de twintigste eeuw: de Tweede Wereldoorlog, de dekolonisatie van Indonesië, de Zuid-Molukse kwestie, de Republiek der Zuid-Molukken en de overdracht van Nederlands-Nieuw-Guinea aan Indonesië. Daardoor is zijn verhaal niet alleen een familiegeschiedenis, maar ook een voorbeeld van de bredere Molukse, Nederlands-Indische en Papoease migratiegeschiedenis.
Over de jeugd van Absalom is nog niet alles met zekerheid bekend. Volgens familieoverlevering groeide hij op in Larat, op de Tanimbar-eilanden, binnen een familie met een zekere maatschappelijke en kerkelijke positie. Nieuwe familiegegevens uit de Jaflaun-lijn noemen Melwuar Jaflaun als oudere stamvader. Volgens deze overlevering had Melwuar kinderen uit twee huwelijken: Boimasa en Efraim uit het eerste huwelijk, en Daud en Absalom uit het tweede huwelijk. Alle kinderen van Melwuar zouden in Larat zijn geboren.
Absalom verbleef in ieder geval in de jaren veertig nog in de omgeving van Larat. Zijn dochter Frederika werd op 8 december 1942 in Larat geboren. Deze geboorteplaats en datum worden bevestigd in een later Nederlands naturalisatiedossier, waarin zij wordt genoemd als geboren te Larat en wonende te Amsterdam.
Enkele jaren later bevond het gezin zich in Merauke, waar volgens familiegegevens op 5 juli 1948 zoon Max werd geboren. Daarmee staat vast dat Absalom en zijn gezin tussen 1942 en 1948 van Tanimbar naar Nederlands-Nieuw-Guinea zijn vertrokken.
De komst naar Merauke moet daarom waarschijnlijk niet worden verklaard vanuit de RMS-crisis zelf, want die begon pas in 1950.
Volgens familiebronnen uit Indonesie vertrok Absalom naar Merauke vanwege werk voor het de nderlandse ovehriehdi/bestuur. bestuursambtenaren, zendelingen, missionarissen, politie- of kantoorbeambten.
Daarmee wordt werk in bestuur, administratie, kerk, onderwijs, post, politie of een verwant overheidsnetwerk de sterkste verklaring voor zijn verhuizing naar Nederlands-Nieuw-Guinea.
Merauke was in de jaren veertig en vijftig een Nederlandse bestuursplaats in Zuid-Nieuw-Guinea. De plaats had overheidsdiensten, missie- en zendingsposten, scholen, politie, postvoorzieningen en transportverbindingen. Voor iemand afkomstig uit Larat of Tanimbar was Merauke geografisch en historisch geen onlogische bestemming. De zuidelijke Molukken en Zuid-Nieuw-Guinea lagen binnen dezelfde bredere Arafurazee-regio, terwijl Nederlands-Nieuw-Guinea na 1949 onder Nederlands bestuur bleef.In Merauke woonden naast Papoea’s ook mensen uit andere delen van voormalig Nederlands-Indië, onder wie Molukkers en Zuid-Molukkers.
Absalom lijkt in deze wereld te hebben geleefd: niet als willekeurige migrant, maar als iemand uit een Moluks-Tanimbarees netwerk dat in Merauke een plaats vond binnen de Nederlandse bestuursomgeving.
Absaloms positie moet niet uitsluitend worden begrepen vanuit de Ambonese RMS-geschiedenis. Zijn herkomst lag op Tanimbar, binnen Maluku Tenggara. Die regio had historisch een eigen verhouding tot de Zuid-Molukse kwestie en voelde zich niet altijd automatisch vertegenwoordigd door een Ambon-geleide RMS. Voor familieleden die op Tanimbar achterbleven, werd Indonesië na 1950 de staatkundige werkelijkheid waarin men verder leefde.
Voor Absalom lag dit anders. Hij bevond zich in Merauke, in Nederlands-Nieuw-Guinea, waar Zuid-Molukkers en Molukkers onder Nederlands bestuur in een politiek gevoelige positie terechtkwamen. Na de uitroeping van de RMS in 1950 kreeg Zuid-Molukse herkomst in deze omgeving een andere lading. Toen Indonesië ook Nederlands-Nieuw-Guinea opeiste, konden mensen uit deze kring worden gezien als pro-Nederlands, RMS-gezind of politiek onbetrouwbaar.
Daarom hoeft Absalom niet als grote RMS-voorman te worden gezien om toch kwetsbaar te zijn geweest. Zijn situatie werd bepaald door de plek waar hij woonde, de kring waarin hij zich bewoog en de politieke spanning rond Merauke.
Een belangrijk historisch spoor rond Absalom dateert uit 1960. Op 20 oktober 1960 sprak Absalom dat hij in Merauke samen met Pieter Johan Tanasale, Bu Ato Muskitta en J. Lewerissa met minister E.H. Toxopeus. Zij vroegen aandacht voor de positie van Zuid-Molukkers in Nederlands-Nieuw-Guinea en spraken hun trouw aan de Republiek der Zuid-Molukken uit. Ook vroegen zij wat er zou gebeuren met Zuid-Molukse ambtenaren wanneer Nederland het gebied in de toekomst zou loslaten.
Deze vermelding maakt Absalom zichtbaar binnen een Zuid-Molukse en RMS-gevoelige kring in Merauke. Dat betekent niet dat hij dezelfde rol had als Tanasale, die duidelijker als politieke voorman als SEMI-RMS VOORMAN van Merauke naar voren komt. Absalom lijkt eerder een Zuid-Molukse man te zijn geweest die zich in dezelfde kring bewoog en daardoor zichtbaar en kwetsbaar werd.
In 1962 verslechterde de situatie in Nederlands-Nieuw-Guinea snel. Indonesië voerde de politieke en militaire druk op. Er vonden infiltraties, militaire acties en parachutistendroppings plaats, terwijl Merauke door zijn ligging aan de zuidkust een kwetsbare positie innam.
De overdracht van Nederlands-Nieuw-Guinea aan een tijdelijk bestuur van de Verenigde Naties betekende dat het Nederlandse gezag op 1 oktober 1962 werd beëindigd. Op 1 mei 1963 ging het gebied over naar Indonesië.
Voor Zuid-Molukkers en RMS-gezinden in Merauke was deze overgang bijzonder ingrijpend. Velen van hen hadden banden met Nederland, werkten in of rond het Nederlandse bestuur, of werden door hun politieke achtergrond als gevoelig of verdacht beschouwd.
De ernst van deze situatie blijkt onder meer uit noodtelegrammen en brieven van Pieter Johan Tanasale aan de RMS-leiding, onder wie ir. J.A. Manusama. Tanasale behoorde tot dezelfde Zuid-Molukse kring in Merauke als Absalom Jaflaum.
Volgens de overgeleverde tekst deed Tanasale in één van deze berichten een dringend beroep op Manusama vanwege de stopzetting of weigering van de evacuatie van RMS’ers uit Nieuw-Guinea:
“Hoog beroep te doen vanwege de evacuatie stop. Plan van evacuatie was eerst op schema, maar door bezoek van staatssecretaris Bot hebben wij te horen gekregen dat de evacuatie van de RMS’ers is geweigerd, welke in strijd is met een eerdere belofte aan ir. Manusama. Bericht werd niet alleen met grote ontsteltenis ontvangen onder RMS’ers, doch ook onder alle RMS-gezinden, onder andere door de Europese gemeenschap. Geen evacuatie betekent levend overgeven. Dus dan is het maar beter om vóór vertrek van de Nederlanders uit Nieuw-Guinea eerst alle RMS’ers, mannen, vrouwen en kinderen, dood te schieten. Moge God u steunen alsnog tot een gunstig resultaat. Mena Muria. Tanasale.”
De formulering is uitzonderlijk scherp en laat vooral de wanhoop zien die binnen de RMS-gezinde gemeenschap in Merauke bestond. Tanasale stelde dat “geen evacuatie” in de praktijk zou neerkomen op “levend overgeven” aan Indonesië. Daarmee wordt duidelijk dat vertrek voor deze groep niet alleen als migratie werd gezien, maar als een kwestie van veiligheid en overleving.
In een andere brief waarschuwde Tanasale voor een concrete dreiging vanuit een pro-Indonesische groep in Merauke. Volgens de overgeleverde tekst schreef hij:
“De Kei-ezen hebben zich gevormd tot een groep met een plan om de boel volledig op te blazen, zowel tegen de Nederlanders als tegen ons, de RMS’ers. Gelukkig nog werd hun document in beslag genomen. Op één der blacklisten stond mijn naam, net zoals bij de Japs. Het plan was dat men op 13 augustus een aanval zou uitvoeren en dan zowel vooraanstaande plaatselijke autoriteiten als de genoteerde RMS’ers en anderen, met al hun gezinnen, tot het kleinste kind aan toe, van kant zou maken. Tanasale.”
Deze tweede tekst geeft een nog concreter beeld van de dreiging die Tanasale beschreef. Hij noemde niet alleen pro-Indonesische activiteit, maar ook blacklisten, een mogelijke aanval op 13 augustus en gevaar voor gezinnen van RMS-gezinden. De passage “tot het kleinste kind aan toe” laat zien hoe ernstig Tanasale de situatie inschatte.
Hoewel de originele blacklist zelf nog niet is teruggevonden, is het zeer aannemelijk dat ook Absalom Jaflaum tot de kring behoorde die door pro-Indonesische groepen werd gevolgd of als verdacht werd beschouwd. Hij stond in 1960 immers samen met Tanasale, Muskitta en Lewerissa in een zichtbare Zuid-Molukse/RMS-gezinde delegatie tegenover minister Toxopeus. Wanneer Tanasale schrijft dat zijn eigen naam op een blacklist stond, ligt het voor de hand dat ook zijn directe medestanders uit dezelfde Meraukese kring kwetsbaar waren.
Daarmee is niet definitief bewezen dat Absaloms naam letterlijk op één van de lijsten stond. Wel maakt de combinatie van zijn publieke optreden met Tanasale, de inhoud van Tanasales waarschuwingen en de politieke situatie in Merauke het zeer aannemelijk dat hij tot dezelfde bedreigde kring behoorde.
Voor Absalom en zijn gezin betekende de overdracht van Nieuw-Guinea waarschijnlijk niet alleen een bestuurlijke verandering, maar een directe veiligheidsdreiging. Het vertrek van Absalom en zijn gezin uit Nieuw-Guinea moet daarom niet worden gezien als gewone emigratie, maar als vertrek uit een politieke noodsituatie.
Voor families met Zuid-Molukse, Nederlandse of bestuurlijke banden kon achterblijven betekenen dat zij onder Indonesisch gezag kwamen te leven in een situatie van wantrouwen, onzekerheid en mogelijke druk.
Na de overdracht kwam Absalom met zijn echtgenote Martha Lebitrenan Kanikir en hun kinderen naar Nederland. Daarmee behoort de familie Jaflaum niet tot de eerste grote Molukse migratiegolf van 1951, maar tot een latere groep die via Nederlands-Nieuw-Guinea naar Nederland kwam.
De precieze reisroute van Absalom en zijn gezin is nog onderwerp van onderzoek. Sommige Zuid-Molukkers uit Merauke vertrokken via Hollandia en het schip Patris richting Pireus. P.J. Tanasale is op die route teruggevonden. Voor Absalom is deze route nog niet bevestigd.
Een andere mogelijkheid is dat hij met zijn gezin via Merauke, Biak en Bangkok naar Nederland reisde, in het kader van de grote luchtbrug uit Nieuw-Guinea. Wat wel duidelijk is, is dat de route van de familie niet rechtstreeks van de Molukken naar Nederland liep, maar via Merauke in Nederlands-Nieuw-Guinea.
De juridische positie van Absalom, Martha en hun kinderen was waarschijnlijk complex. Als inwoners van de voormalige Nederlands-Indische wereld waren zij vermoedelijk aanvankelijk Nederlands onderdaan-niet-Nederlander: wel onder Nederlands koloniaal gezag, maar niet automatisch Nederlander in staatsrechtelijke zin.
Na de Indonesische onafhankelijkheid en de soevereiniteitsoverdracht van 1949 veranderde de rechtspositie van veel mensen uit deze groep. Voor de familie Jaflaum werd die situatie extra ingewikkeld doordat zij in Nederlands-Nieuw-Guinea verbleven, een gebied dat na 1949 onder Nederlands bestuur bleef maar door Indonesië werd opgeëist.
Een later naturalisatiedossier van dochter van Absalom Frederika laat zien dat zij in de jaren zeventig nog via naturalisatie het Nederlanderschap moest verkrijgen en in de bijlage als zonder huidige nationaliteit werd geregistreerd.
Dit wijst erop dat gezinsleden niet automatisch als Nederlandse staatsburgers werden beschouwd, ondanks hun verblijf binnen de Nederlandse bestuurswereld.
Na zijn aankomst in Nederland vestigde Absalom zich met zijn gezin in Arnhem. Daar begon een nieuw hoofdstuk in het leven van de familie Jaflaum. In Arnhem werkte hij als binnendienstmedewerker bij verzekeringsmaatschappij Vesta, waar hij tot aan zijn pensioen in dienst bleef.
Op 8 december 1970 werd het officiële huwelijk tussen Absalom en Martha Lebitrenan Kanikir in Nederland vastgelegd. Omdat zij al eerder samen een gezin vormden, lijkt dit mogelijk te gaan om een formele burgerlijke vastlegging binnen de Nederlandse administratie. Dit punt vraagt nog om nader onderzoek in de burgerlijke stand, maar de datum vormt wel een belangrijk onderdeel van de Nederlandse fase van zijn leven.
Naast zijn werk speelde Absalom een actieve rol binnen het Moluks-Indonesische protestantse kerkelijke leven. Hij was voorzitter van de Koördinasi Jemaat-jema’at Protestan Indonesia di Nederland en vervulde daarnaast een kerkelijke en pastorale rol binnen zijn gemeenschap in de omgeving van Arnhem.
Binnen de familie bestaan herinneringen aan een huis waarin zowel Indonesische als Nederlandse symbolen aanwezig waren, waaronder de Garuda of een afbeelding van Soekarno, maar ook koningin Juliana. Deze combinatie lijkt op het eerste gezicht tegenstrijdig, maar past bij de complexe wereld waarin Absalom leefde.
Hij was afkomstig uit Tanimbar, had in Merauke deel uitgemaakt van een Zuid-Molukse kring, kwam uiteindelijk in Nederland terecht en bleef tegelijk verbonden met een Indonesisch-protestantse kerkelijke gemeenschap. Zijn identiteit kan daarom niet tot één politieke categorie worden teruggebracht.
Absalom bewoog zich tussen meerdere werelden tegelijk: de Tanimbarse, Molukse, Zuid-Molukse, Indonesische, Nederlandse en kerkelijke wereld. Juist daarin ligt de kracht en complexiteit van zijn levensverhaal.
De naam Jaflaun komt in Indonesische en Tanimbarse bronnen voor als Molukse familienaam of marga. Een opvallende oudere vermelding is E.A. Jaflaun, die in 1945–1946 als camat van Tanimbar Utara wordt genoemd. De directe verwantschap met Absalom is nog niet definitief vastgesteld, maar de vermelding ondersteunt wel het beeld dat de naam Jaflaun op Tanimbar niet alleen familiaal, maar ook maatschappelijk en bestuurlijk zichtbaar was.
Ook latere bronnen uit Tanimbar en Indonesië laten zien dat de naam Jaflaun bleef voortbestaan in bestuurlijke, politieke en kerkelijke contexten. Deze gegevens bewijzen niet automatisch directe verwantschap met Absalom, maar ze laten wel zien dat de naam Jaflaun een herkenbare Molukse naam was met duidelijke wortels in de Tanimbarse wereld.
Na zijn aankomst in Nederland vestigde Absalom zich met zijn gezin in Arnhem. Daar begon een nieuw hoofdstuk in het leven van de familie Jaflaum. In Arnhem werkte hij als binnendienstmedewerker bij verzekeringsmaatschappij Vesta, waar hij tot aan zijn pensioen in dienst bleef.
Op 8 december 1970 trad Absalom officieel in het huwelijk met Martha Lebitrenan Kanikir. Omdat zij al eerder samen een gezin vormden, lijkt dit mogelijk te gaan om een formele burgerlijke vastlegging in Nederland. Dit punt vraagt nog om nader onderzoek in de burgerlijke stand, maar de datum vormt wel een belangrijk onderdeel van de Nederlandse fase van zijn leven.
Naast zijn werk speelde Absalom een actieve rol binnen het Moluks-Indonesische protestantse kerkelijke leven in Nederland. Hij was voorzitter van de Koördinasi Jemaat-jema’at Protestan Indonesia di Nederland en vervulde daarnaast een kerkelijke en pastorale rol binnen zijn gemeenschap in de omgeving van Arnhem.
Absalom Dailola Jaflaum overleed op 31 juli 1994 in Arnhem, op 71-jarige leeftijd. In de periode voorafgaand aan zijn overlijden kreeg hij te maken met een vorm van dementie.
Hij ligt begraven op begraafplaats Moscowa in Arnhem, samen met zijn echtgenote Martha Lebitrenan Kanikir, die op 26 maart 1998 overleed, en hun zoon Rudy Mesak Sarles Jaflaum, die op 26 juni 1989 overleed. Alle drie zijn zij in Arnhem overleden.